CSG Het Noordik, Christelijke scholengemeenschap voor Vmbo, Havo, Atheneum en Gymnasium


 


 

U kunt nu ook inloggen via de knop 'Inloggen' bovenin de Noordik website. Graag voor de INIS-vragenlijst ook inloggen bovenin de website van CSG Het Noordik.
 

 
 

U kunt nu ook inloggen via de knop 'Inloggen' bovenin de Noordik website. Graag voor de INIS-vragenlijst ook inloggen bovenin de website van CSG Het Noordik.
 

 
 

1930-1940 Tegen de verdrukking in



De eerste tientallen jaren in het Christelijk Lyceum Almelo werden de leerlingen tot klas 1 toegelaten via de zgn. "admissie eksamens". Voor het eerst kwamen op 23 juli 1920 de directeur en 4 van de 6 leraren bijeen in de consistoriekamer van de Gereformeerde Kerk om de toelating te regelen.

De directeur leidde de vergadering in met een openingswoord waarin hij onder anderen zei: "We staan aan het kleine begin van een groot werk. Veel zal ervan afhangen hoe dat begin is. Wij zijn klein in getal, klein ook in kracht, maar laat ons sterk maken het besef dat wij arbeiden in 's Heren wijngaard".

Ter vergadering werden 26 leerlingen toegelaten tot klas 1 en 9 tot klas 2. Een leerling na een lange discussie en stemming. "De voorzitter adviseert toelating, vooral ook omdat de kandidaat heel graag op 't Lyceum wil komen en de goede wil in dezen een voorname factor is". Het eerste schooljaar (1920/1921) startte uiteindelijk met 31 leerlingen in klas 1 en 9 in klas 2: samen 40 leerlingen. Van 71 en 98 leerlingen in de twee volgende jaren werd in de cursus 1923/1924 een leerlingenaantal van 115 bereikt. Maar in het tiende jaar van het bestaan (1929/1930) telde de school nog steeds 115 leerlingen. Eén jaar (1925/1926) heeft de school in die tijd een HBS-A-afdeling gekend, die weer snel werd opgeheven, toen bleek dat het diploma vrijwel geen mogelijkheden bood tot verder studeren.

In 1926 startte, toen nog in klas 3, de Gymnasium-afdeling en werd de school een echt lyceum. De gemiddelde klassegrootte aan het eind van de jaren '20 doet de huidige leraar watertanden: 12 leerlingen per klas. Een van de redenen van de ontbrekende groei tussen 1923 en 1929 was de stichting van drie MULO-scholen in de omgeving: één in Vriezenveen, en in Nijverdal zelfs twee. Veel ouders vonden middelbaar, laat staan gymnasiaal onderwijs voor hun kind te hoog gegrepen. Vooral na de invoering van de Mammoetwet 1968 is de belangstelling voor het Lyceum als gevolg van de externe democratisering sterk toegenomen. De ontbrekende groei in de eerste jaren is ook veroorzaakt doordat Enschede en Hengelo weinig leerlingen leverden. Vanuit Hengelo is dat altijd zo gebleven.

De tweede leraarsvergadering van 21 september 1920 werd speciaal belegd om "afspraken te maken, waarvan het nuttig en nodig zal zijn voor de grote gang van zaken dat allen zich daaraan houden". Alle behandelde onderwerpen zouden ook 25 of 50 jaar later op de agenda kunnen staan: op tijd aanwezig zijn (van leraren), het straffen van leerlingen, het roken door leerlingen, het surveilleren, het spieken. Het verslag van de eerste rapportenvergadering bevat ook enkele opvallende passages: "De leerling K. heeft haast alle cijfers onvoldoende. Hij kwam hier, belast met de reputatie als te zijn groot in verstand en groot in boosheid. 't Laatste is ook hier enigszins geconstateerd, 't eerste nog niet".

Over het presteren van meisjes wordt een opmerking gemaakt die wij maar als gedateerd moeten beschouwen: "Hier wordt de psychologische opmerking gemaakt, dat meisjes in 't begin gewoonlijk veel ijver vertonen, later en in ijver en in prestaties gaan verminderen en bij de jongens achterblijven. Als een der oorzaken van dit verschijnsel wordt door de leraar in natuurlijke historie geopperd het mindere hersengewicht der vrouw tegenover dat van de man: welgewogen 100 gram". Geen leraar zoekt in die tijd contact met de ouders. Dat doet de directeur, van wie overigens steeds wordt vermeld dat hij contact zal opnemen met de vader.

Alle leraarsvergaderingen worden de eerste 13 jaar 's avonds gehouden. Ze lopen soms uit tot na het middernachtelijk uur. De overgangsvergaderingen zijn meestal op zaterdagmiddag. Na 1933 gaat men alleen na schooltijd vergaderen behalve op zaterdag. Ook in 1920 gingen leerlingen al vóór de bel naar huis: "De Voorzitter wijst op 't wenselijke dat het eindigen der lessen bij 't uitgaan der school in alle klassen zoveel mogelijk gelijk geschiedt, met het oog op de rust bij het dankgebed en bij het heengaan". Het woord leerlingenfeesten bestond nog niet, maar wel was er een idee "Het plan door de Voorzitter geopperd om een gezellig avondje met de leerlingen te hebben wordt bij acclamatie aangenomen en zal dus aan het Bestuur worden voorgelegd".

Het avondje werd gegeven "tot grote voldoening van leraren en leerlingen". Vandaar dat er een jaar later weer werd gesproken over het te houden "schoolavondje". "De leerlingen zullen krachtig opgewekt worden om zo mogelijk allen tot de samenstelling van een rijk programma voor die avond mede te werken". De rector voegt er aan toe: "dat de jongelui bij zulke gelegenheden leren optreden in het openbaar: het sterkt hun zelfvertrouwen, het kweekt 't vermogen om zichzelf te beheersen, het oefent hen in 't beschaafde weergeven en anderen doen genieten van wat zij in zich hebben opgenomen". Je mag wel zeggen: een wat andere doelstelling dan die van een disco-avond in de jaren negentig. Op de volgende vergadering "komt het gehouden schoolavondje ter sprake dat aangename herinneringen wekt daar het zowel voor genodigden en leraren als voor de leerlingen een buitengewoon gezellige avond was. Op de ingeslagen weg zal niet genoegen worden voortgegaan". Jaarlijks belegt het bestuur een ledenvergadering. Opvallend is dat met uitzondering van de eerste jaren er nooit veel belangstelling van de leden voor die jaarvergaderingen is geweest: meermalen waren naast het bestuur slechts 2 tot 5 leden aanwezig. Daarom heeft tientallen jaren de traditie bestaan dat aansluitend aan de ledenvergadering een ouderavond werd belegd. Als onderwerp voor de ledenvergadering in het eerste schooljaar stelde een bestuurslid voor dat Prof. Buytendijk als spreker zou optreden met het onderwerp "De afstamming van den mensch". Er werd uiteindelijk een minder controversiële keuze gemaakt. De rector sprak over: "Samenwerking van de ouders en de school".

Een citaat uit zijn toespraak: "De medewerking der ouders bestaat vooreerst in het aankweeken van achting voor de leermeesters als medearbeidende met vader en moeder tot het welzijn der leerlingen. In het verschaffen van de noodige rust en stilte, als de lessen moeten 'Worden geleerd, het schriftelijke werk gemaakt. In het inperken van gelegenheden tot uitgaan en partijtjes, tot laat opblijven en allerlei ongeregeldheden meer". Artikel 15 van de toenmalige Statuten schreef voor dat iedere leraar de grondslag "voor zichzelf persoonlijk aanvaardt". In de bestuursvergadering van maart 1921 ontspon zich daarover een discussie "De slotsom is dat bij den tegenwoordigen leerarennood het praktisch niet mogelijk is dit artikel toe te passen, maar dat het bestuur de noodzakelijkheid erkent dat bij het onderwijs den geest van de Grondslag wordt gehandhaafd".

In de notulen van een leraarsvergadering uit 1921 wordt gesproken over het imago van de nog zo jonge school: "Voorts kan geconstateerd worden dat de school zich voorshands in goed gerucht verheugen mag, dat zij blijkt reeds wortelen geschoten te hebben in wijde omtrek. Dit geeft reden tot een hoopvol en moedig de toekomst inzien". Met de lessen tekenen gaat het nog niet zo voorspoedig: "Ze zwaaien nog zo wonderlijk met hun materialen", aldus de tekenleraar. In het derde schooljaar wordt het leerlingental zo hoog (98) dat de eerste klachten op de leraarsvergadering worden gehoord: "De heer Kramer maakt een opmerking over de drukte, die er tussen de lessen op trappen en in gangen heerst door het vele verwisselen der klassen van 't ene lokaal naar 't andere".

De heer Kramer zou deze opmerking jaren blijven maken. In 1923 werd in de tuin "een flink houten tekenlokaal gebouwd". Over het proefwerkrooster zijn in dat jaar in leraarskring de meningen sterk verdeeld: de heer Ter Brugge is een warm voorstander, maar er zijn er ook van mening dat het regelingen zijn die in theorie heel mooi lijken, maar in de praktijk spoedig verlopen". De heer Ter Brugge zal er jaren aandacht voor vragen.

De resultaten van de beide eerste klassen laten bij het eerste rapport veel te wensen over: "De resultaten zijn na 3 maanden werken allertreurigst. Als we alleen eerste, klassen hadden, moesten we de boel maar sluiten". En dan volgt het dilemma van alle tijden: "Zo staat men voor de eisen voor het eindexamen, aan de andere zijde de treurige toestand waarin de leerlingen afgeleverd worden door de lagere scholen. Die twee zijn niet met elkaar te verenigen". "De leerlingen zijn wel ijverig, maar het gebrek zit dieper. Het getuigenis van de Enterse meisjes dat ze nooit van 1e, 2e of 3e persoon gehoord hebben is tekenend". Ook over de eindexamenklas maakt men zich zorgen. In februari 1924 wordt de klas "middelmatig" genoemd. IJVER blijkt er genoeg te zijn maar in de kunst van "studeren" hebben de meeste het nog niet heel ver gebracht". Toch halen in juni 1924 alle 5 examenkandidaten, onder wie de latere leraar Nederlands J.J. Voogt, hun diploma HBS-B.

Het leraarschap ging niet over rozen in de cursus 1924/1925: "In 2b waar de toestand het allerslechtste is, zijn aan 13 leerlingen te zamen 63 onvoldoende cijfers gegeven. De heer Keijzer vraagt of er niet een strafmiddel aan te wenden is, dat wat schrik brengt in deze klas, waar zo weinig ijver blijkt te zijn en waar 't gedrag van sommige leerlingen ook beneden alle kritiek is. Of bijvoorbeeld een gehele week in de hoek staan, welk middel al vroeger met succes in andere klassen is toegepast, hier voor sommigen niet heilzaam kan werken. Het oordeel voor het gedrag en ijver in deze klas blijkt eenstemmig, met uitzondering van dat van de heer Perdeck, die geen aanmerkingen heeft". Een sfeertekening uit de rapportenvergadering van maart: "Droeve teleurstelling bij het bevinden van weinig vrucht op ernstig vermanen en moeizaam arbeiden, dankbaar opmerken van vleugjes van verbetering, blijde verrassing bij 't speuren van ongedachte wendingen zijn als immer de wisselende aandoeningen in dezen emstigen arbeid". In de zomer spreekt de rector in mineur: "Dit jaar toch bracht den grootsten tegenspoed die de school tot nog toe kende. Bij de eindexamens werden 4 van de 9 candidaten afgewezen".

Het leerlingental in de cursus 1926/1927 loopt terug tot 103, de penningmeester maakt zich zorgen en spreekt tijdens de jaarvergadering duidelijke taal: "Laat het U gezegd zijn, mijne Heeren, en zegt tegen de Ouders welke hun kinderen nog wat meer dan lager of Mulo onderwijs willen geven, dat ze op onze HBS en ons Gymnasium op hun plaats zijn. De school ligt in het centrum van Twente. De omgeving is prachtig, de onderlinge verhouding, ook op school, is uitstekend; aan de opvoeding van uwe kinderen wordt gearbeid door een corps leeraren, dat er zijn mag". Tijdens diezelfde jaarvergadering geeft een inleiding van de rector over huiswerk aanleiding tot een levendige bespreking.

"In die bespreking wordt de nadruk gelegd op het door eenigen geconstateerd feit, dat de Overijsselaar wel werken wil en kan, maar uiterst traag is om zich tot denken te zetten". Voor het eerst wordt in de stukken de leerlingenvereniging genoemd. "Verder was van de Chr. Lyceum-club "Fit Arbor Surculus" (het takje groeit tot boom) een schrijven ingekomen met aanvraag om subsidie wegens het groote tekort. Na eenige bespreking werd besloten de club voor één keer fl 25,00 te geven uit de kas der vereeniging".

In de leraarsvergadering bestaat het vermoeden dat leerlingen spijbelen: "Daarom wordt de - wenschelijkheid van een klasseboek geopperd, waardoor dergelijke ongerechtigheden beter kunnen gecontroleerd worden".

Wat het er uitsturen van leerlingen betreft, "wordt het wenselijk geacht dat een leerling, die naar de directeur gestuurd wordt, ook van dezen een groote straf er bij krijgt. Zoo pleit alles voor: zoo weinig mogelijk uitsturen, alleen in zeer ernstige gevallen. Niet ontkend kon immers worden, dat ook gemakzucht der leeraar soms beweegt om een lastig element te verwijderen".

En ook de fietsenstalling wordt langzamerhand te klein: "Bij de rondvraag oppert de Heer Pellikaan de wenschelijkheid van een rek voor fietsen der leraren, daar een keuken ze niet meer kon bevatten. Na ernstige overweging blijkt de hoek tusschen serre en schoolgebouw de meest geschikte plaats voor een dergelijke inrichting. De zaak zal nader onderzocht en daarop ingevoerd worden". Het buitenstallen van de fietsen was kennelijk ook toen al niet veilig, want een paar jaar later "wordt nog besloten alle rijwielen welke zich bevinden op het terrein van het schoolgebouw, tegen diefstal te verzekeren bij de Geldersch-Overijsselsche Verzekeringsbank te Apeldoorn, tegen eene premie van fl 12,50 per jaar".

Het bestuur beraadde zich in 1928 op de reiskosten van de leerlingen: "In behandeling komt thans een voorstel om daarvoor in aanmerking komende leerlingen een tegemoetkoming in de reiskosten te verstrekken, van fl 40,00 á fl 50,00 per leerling per jaar, aangezien het niet gewenscht is het schoolgeld te verlagen. Na eenige bespreking, waarbij de wenschelijkheid wordt uitgesproken, dat bedoelde leerlingen een zekere flinkheid in hun studie moeten openbaren, wordt in principe het voorstel aangenomen. Ieder geval zal op zich zelf beoordeeld worden".

Ook over reizen van leraren wordt gesproken: "De Rector deelt thans mede dat de leeraar Van Leeuwen, wegens spit in den rug, geen les had kunnen geven, indien hij zich niet iederen dag met een rijtuig naar school had laten brengen. Aangezien dit is geschied in het belang van het onderwijs, keurt het bestuur goed, dat de door hem te dezen aanziens gemaakte kosten, bedragende fl 24,00 aan hem zullen worden vergoed".

In 1929 werd het gebouw uitgebreid: "De school is dan nu eindelijk toch verbouwd en ziet er kostelijk uit, een feit van beteekenis voor heel de streek. Het is den architect, den heer M.A. Vixseboxse, wonderwel gelukt er een geheel van te maken dat gezien mag worden. Aan den Vriezenveenscheweg gekomen moge men nog een oogenblik twijfelen, treedt men den nieuwen hoofdingang binnen dan is alle vrees geweken en staat men versteld over zoveel aanpassingsvermogen en komt men in de hall werkelijk tot de overtuiging dat het een rijk geheel is geworden. De hall beneden en boven doet voornaam aan met de prachtige trappen naar boven en naar het zooveel hooger gelegen oude gebouw.

Gaat men verder dan weet zelfs de meest bekende in het oude gebouw niet meer of hij zich in de oude of nieuwe school bevindt".

Ter gelegenheid van de opening van het vernieuwde gebouw werd door de ouders een staande klok aangeboden die tot op heden in de hal in de school staat.

De aanleiding van de nieuwe lokalen vroeg ook aandacht. Maar veel geld was er niet. De tekenleraar weet een oplossing: "De heer Veenstra wijst op den Rembrandtbijbel die in het bezit der school is. Hij meent dat verscheidene platen daaruit heel goed voor het beoogde doel te gebruiken zouden zijn. Besloten wordt dat de heer Veenstra een plan van schoolversiering zal ineenzetten". Grote opwinding en langdurige discussies ontstaan in de leraarsvergaderingen, als de betekenis van het cijfer 5 wordt gewijzigd van "even voldoende" in "bijna voldoende".

De rector citeert een beschouwing uit een der groote bladen waarin deze verandering de "belangrijkste wordt genoemd die na 1863 in het reglement op de HBS-examens is aangebracht".

Ook toen al viel sommige leraren "het vrije kwartier" wel wat kort en werden "de gesprekken wel eens wat lang gerekt". De oplossing was daar: "Wenschelijk wordt geacht een bel naar de leeraarskamer te doen aanleggen, die zal waarschuwen vóór de eerste bel voor de leerlingen luidt. Aldus wordt besloten".

Spieken blijkt ook op het Christelijk Lyceum voor te komen: "Voorts is de Voorzitter ter oore gekomen dat men spreekt over afkijken bij proefwerken, dat herhaaldelijk zou voorkomen. Deze mededeeling wordt in het midden gelegd, opdat zij tot dubbele waakzaamheid opwekt".

De bevordering van de leerlingen aan het eind van het schooljaar gebeurde in stijl: tot 1932 vond die plaats in de sociëteit "Tot Nut en Versmaak", waarbij in aanwezigheid van alle leraren en veel bestuursleden de rector de leerlingen klas voor klas toesprak.

1919-1920 Het voorbereidingsjaar
1920-1930 Het kleine begin van een groot werk
1930-1940 Tegen de verdrukking in
1940-1945 De oorlogsjaren
1945-1960 Laatste jaren aan de Vriezenveenseweg
1960-1970 Er zitten veranderingen in de lucht
1970-1980 Het sociale hart