In het eerste volledige schooljaar (1945/1946) na de oorlog was de situatie nog verre van normaal. Tot aan de kerstvakantie werd het schoolgebouw door de Canadezen gebruikt en kon de school voor halve dagen gebruik maken van de Koningin Wilhelminaschool. Bij het inrichten van het eigen gebouw bleek dat een groot deel van de inventaris was vernield, verloren gegaan of als oorlogsbuit afgevoerd. Voor sommige lokalen waren er geen banken, er was geen enkel inktpotje meer voorradig, scheikunde tobde met gebrek aan chemicaliën en veel leerlingen hadden niet eens de beschikking over boeken.
Met zorg werd het examen tegemoet gezien. Gelukkig mochten de eigen leraren, onder goedkeuring van de inspecteur, de opgaven voor het schriftelijk examen vaststellen en slaagde meer dan 75% van de examenkandidaten.
Het eerste halfjaar na de oorlog toonde een ware uittocht van leraren naar het westen van het land, waardoor het lerarencorps sterk verjongde.
Een van de leraren kreeg een berisping "wegens eenige onnederlandsche uitlatingen tijdens den bezettingstijd".
Tijdens de leraarsvergadering doet de heer Gunning twee vernieuwende voorstellen: in hoeverre kunnen wij de zelfwerkzaamheid van leerlingen bevorderen (nodig om de oorlogsachterstand in te lopen) en mag hij een werkweek organiseren voor Gymnasium 5 ?
Kennelijk was de tijd rijp voor nieuwe gedachten, want in datzelfde cursusjaar werd besloten klasseleraren aan te stellen.
Voor het eerst werden de rapportcijfers niet voorgelezen ter vergadering maar beschikte iedere leraar over een lijst van cijfers van alleen "de dubieuze gevallen".
Het voorstel, gedaan op de laatste vergadering vóór de zomervakantie, om een proefwerkweek te houden werd niet besproken, omdat - naar het oordeel van de rector - "de docenten nu te moe en te afgemat zijn om hun gedachten hierover uiteen te zetten". Het tweede voorstel: "één lijn bij de toekenning van het rapportcijfer van het laatste rapport in verband met dat op het tweede of eerste rapport" wordt breed van commentaar voorzien, maar een beslissing valt er niet.
In december 1945 werd het 25-jarig bestaan van de school gevierd.
Bestuur en leraren zaten aan een diner in De Gouden Leeuw, waar ook de heer Van Leeuwen tot rector werd geïnstalleerd.
De volgende dag was er een herdenkingsdienst, gevolgd door een receptie en 's avonds een schoolavond in het Groenendaal.
Met het openbaar vervoer was, het aanvankelijk nog droevig gesteld: "de leerlingen uit Den Ham en Vroomshoop kunnen eerst ± half 5 weg en zullen in de gelegenheid worden gesteld onder toezicht van een der leraren huiswerk te maken".
De combinatie van een strenge winter en gebrek aan brandstof maakte dat de kerstvakantie in 1947 met een week werd verlengd en dat ook in februari de school dicht ging.
Daarna werd het onderwijs deels (de laagste klassen hadden maar 1 dag per week les) hervat op allerlei plaatsen in de stad: in de Rijks-HBS, in de kantine van de firma Ten Cate en de Leeuwarder Textiel Fabriek, in de lokalen aan het Kerkplein en in het Chr. Vereenigingsgebouw, in de woonkamers van ouders. En de leraren banjerden door dikke sneeuwlagen van les naar les. Pas na de Paasvakantie werd de Vriezenveenseweg 1 weer betrokken.
De school zette zich in voor "het culturele werk onder de jeugd": "een schoolkrant, muziekuurtjes, sportwedstrijden, culturele films en een schoolavond werden opgezet.
Ook vond de eerste werkweek plaats: klas 5 Gymnasium ging onder leiding van de leraren Lub en Visser een week naar het Stiftshuis te Weerselo.
De spelling was onderwerp van gesprek: "Het voorstel van mejuffrouw Volten om uit praktische overwegingen in de laagste drie klassen de -n spelling in de 3de en 4de naamval enkelvoud van mannelijke personen en mannelijke dieren te handhaven vindt geen instemming".
De huisvesting in het algemeen en van klas IID in het bijzonder was slecht: "Er is niet genoeg ventilatie en de leerlingen kunnen slechts met moeite lezen wat op het bord staat. Mejuffrouw Hilbelink klaagt er over dat kalk naar beneden komt".
Er hingen veranderingen in de lucht in 1949: "De heer Ter Brugge vraagt of men hier voelt voor een schoolparlement, opdat de jeugd meer op de hoogte van het bestuur over een staat komt".
Voor het eerst vond er na de overgangsvergaderingen een revisie van enkele beslissingen plaats. Ook beschikten de leraren voor het eerst over lijsten met alle rapportcijfers van hun leerlingen.
In februari 1950 werd de nieuwbouw betrokken: 6 lokalen kwamen erbij.
In dat jaar werd met enige trots gesproken over de schoolreisjes naar Bentheim, Elten en de Posbank, over het zeer geslaagde kamp op Ameland en over de culturele films.
Verder organiseerde de heer Ter Brugge - buiten de school om - een reis voor leerlingen naar Denemarken en Zuid-Zweden.
Veel leerlingen verdienden in de zomervakantie wat bij om het mogelijk te maken dat hun medeleerling Carel de Leur nog een jaar in Davos zijn studie af kon ronden.
Een der leraren stelde voor sexuele voorlichting te geven. Omdat het Ministerie adviseerde dat niet te doen, werd besloten eerst het bestuur te raadplegen.
Na de zomervakantie startte de afdeling MMS die tot de invoering van de Mammoetwet zou blijven bestaan. De leraren bleven in de klas roken ondanks eerdere opmerkingen daarover: "Bij de algemene besprekingen doet de rector het voorstel het roken van leraren in de klassen af te schaffen, daar dit hem in het afgelopen jaar niet bevallen is".
Op 1 november 1950 werd de gedenksteen onthuld ter herinnering aan de in de periode 1940-1945 omgekomen oud-leerlingen.
In hetzelfde jaar werd voor het eerst tijdens een bestuursvergadering gesproken over het stichten van een 2e Chr. Lyceum in Twente en wel in Hengelo.
Tijdens de leraarsvergadering werd een stevige discussie gevoerd over de vele enen en tweeën gegeven door de leraren Frans. Afgesproken werd dat deze cijfers alleen gegeven mochten worden na overleg met de rector.
Na enige moeite werd in 1951 de toestemming van het Ministerie verkregen om de tweejarige onderbouw terug te brengen tot een eenjarige, die overigens al wel werd toegepast voor de MMS. Het juist uitgebreide schoolgebouw was al weer te klein en daarom werd de zolder van het nieuwe gedeelte verbouwd tot een les- en werklokaal van de afdeling MMS.
In de paasvakantie van 1952 werd de eerste Rome-reis georganiseerd, terwijl het voor liefhebbers ook mogelijk was een reis naar Zwitserland te maken.
In de leraarsvergadering werd uitgebreid gediscussieerd over de ontwikkelingen in het leraarschap: velen zijn van mening dat de leraar meer is dan vakdocent; hij is ook klasseleraar en als zodanig begeleider van leerlingen. De eerste leraren staan ook op die een situatie belichten vanuit het standpunt van de leerling, wat hen door anderen niet in dank wordt afgenomen.
Zo werd gevraagd naar de zin van het vele strafwerk, van het op vrijdagmiddag (en soms zaterdagmiddag) nablijven en "Waar blijft de radio in de cantine waarvoor het geld bijeen is ?". De stichting van een tweede Christelijk Lyceum in Twente riep ook vragen op. Maar sommige leraren waren van mening dat zij zich daarmee niet moesten bezighouden: "De heer de Ridder verdedigt de mening dat deze zaak ons niet aangaat, indien er geen advies door het Bestuur aan ons gevraagd wordt"
Voor het eerst in de geschiedenis van de school was er in 1952 een kerstwijding en wel in de Noorderkerk, een traditie die jarenlang in stand zou blijven.
Na 17 jaar voorbereiding kon in 1953 eindelijk het nieuwe gymnastieklokaal in gebruik worden genomen, "een gymnastieklokaal zoals er nog niet vele in Overijssel gevonden worden".
In september 1955 startte onder hetzelfde bestuur een tweede school: de christelijke HBS in Enschede en niet in Hengelo, zoals de initiatiefnemers aanvankelijk wilden. Enschede had als grootste stad toch de beste papieren.
De door leraren geuite vrees dat het leerlingental behoorlijk zou teruglopen werd gelukkig niet bewaarheid: in Almelo waren 548 leerlingen ingeschreven, 10 minder dan het jaar ervoor. De schoolavonden werden dit jaar voor het eerst in de eigen gymzaal gehouden, een experiment dat voor herhaling vatbaar bleek.
De culturele commissie van de school, grotendeels gesubsidieerd door de gemeente, beleefde vanaf medio jaren '50 goede tijden: jaarlijks werden er voor leerlingen een reeks concerten en toneelvoorstellingen georganiseerd. Het was ook de tijd dat alle leraren op de een op een of andere manier betrokken waren bij een leerlingenclub of -activiteit. leder jaar werden in september de activiteiten onder de leraren verdeeld.
Een stevige discussie werd gevoerd over de autonomie van het Lyceac-bestuur. Ook "de kwestie van de niet-christelijke leerlingen" in het Lyceac-bestuur hield de gemoederen bezig.
Lyceac profileerde zich in elk geval duidelijk, zozeer zelfs dat het aan het begin van het jaar de leerlingen van de eerste klas met hun ouders op een avond uitnodigde om zijn clubs te presenteren. De school nam later dat initiatief over en goot het in de vorm van de huidige begroetingsavond voor brugklasouders.
In 1955 mocht er geen schoolavond worden gehouden omdat de vorige "in wanordelijkheden op straat" was uitgelopen.
Het was in die tijd overigens buitengewoon moeilijk tijd te vinden voor het repeteren voor schoolavonden: op alle middagen behalve zaterdagmiddag was er school: niet alleen was het gebouw aan de Vriezenveenseweg veel te klein, maar tot 1968 hadden de leerlingen wekelijks ook nog eens 34-36 lessen.
Het gedrag van leerlingen vertoonde hoogte- en dieptepunten: in november 1956 werd de school één dag gesloten en brachten de leerlingen fl 4.000,- bij elkaar voor Hongarije, maar op 1 april 1957 legden zij zulk een "onbetamelijk en onverantwoordelijk gedrag" aan de dag dat werd besloten de schoolavonden af te gelasten.
In de nacht van 31 maart op 1 april hadden leerlingen zich namelijk toegang verschaft tot de school, de belinstallatie onklaar gemaakt en een kabel in de rectorskamer doorgesneden.
In een extra-vergadering van leraren en bestuur werd besloten de leerlingen de toegang tot de lessen te ontzeggen voor de rest van het jaar. Wel mochten zij deelnemen aan het eindexamen, respectievelijk een toelatingsexamen doen voor de volgende klas.
De eerste voorzitter van het bestuur uit de geschiedenis van de school trad "in verband met zijn hoge leeftijd" af: mr. G.J. Sybrandy was van 1919 tot 1957 voorzitter en werd na zijn aftreden tot ere-voorzitter benoemd.
De gemiddelde leeftijd van de bestuursleden was toen in vergelijking met die in de jaren '70 en '80 buitengewoon hoog: er werd nog niet naar gestreefd ouders als bestuurslid aan te trekken en bestuurslidmaatschappen met een duur van meer dan 30 jaar waren geen uitzondering.
In de notulen van de leraarsvergadering verscheen in 1957 voor het eerst het woord "dansen" en het zou er tot in de jaren '60 niet meer uit verdwijnen. In 1957 werd niet gedanst: "Er zijn nog zoveel ouders die in hun gemoed getroffen en gekrenkt zouden worden, indien er gedanst werd".
Ten aanzien van strafwerk deelde de rector mee "dat het regels schrijven op een Middelbare School niet geoorloofd is. 't Strafwerk moet van nut zijn".
In 1958 steeg het leerlingental tot 635 en het schoolgebouw werd nu toch wel erg klein. Gedwongen door de omstandigheden koos de school er voor om met een dubbel rooster te werken: iedere dag werden er 10 lessen van 45-minuten gegeven.
In september ' 1959 werd het afscheid van rector Van Leeuwen gevierd. Na het diner werd de feestavond doorgebracht onder leiding van VOCLA, de Vereniging van Oud-leerlingen van het Christelijk Lyceum te Almelo. Van deze vereniging zijn in het schoolarchief geen stukken aangetroffen. De heer Van Leeuwen werd opgevolgd door de heer Groen.
In het laatste jaar van de "Vriezenveenseweg" is het zo moeilijk om de leerlingen onder dak te brengen dat gebruik wordt gemaakt van de polikliniek van het Diaconessenhuis en van het padvindersgebouw in de Volkerinkstraat. Maar eind april 1961 werd het oude gebouw aan de Vriezenveenseweg "ten grave gedragen" en de nieuwe school aan de Noordikslaan, gelegen aan de rand van de stad, betrokken met 717 leerlingen.
Ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan (in 1960) en van de opening van de nieuwbouw, maakte de hele school op 28 april een tocht naar Rotterdam.
1919-1920 Het voorbereidingsjaar 1920-1930 Het kleine begin van een groot werk 1930-1940 Tegen de verdrukking in 1940-1945 De oorlogsjaren 1945-1960 Laatste jaren aan de Vriezenveenseweg
1960-1970 Er zitten veranderingen in de lucht 1970-1980 Het sociale hart