Algemeen
A. Ik behandel de ander met respect
Bij binnenkomst
B. Ik zorg dat ik op tijd bij het lokaal ben.
C. Ik kom rustig het lokaal binnen.
Tijdens de les
D. Ik zorg dat ik alle spullen bij me heb.
E. Ik ben stil tijdens de uitleg, luister naar een ander en steek mijn vinger op als ik iets te vragen heb.
F. Ik werk aan de opdrachten.
G. Ik los een meningsverschil met de docent na de les op.
H. Ik let op mijn taalgebruik en op mijn volume.
Aan het einde van de les

I. Ik schrijf mijn huiswerk op
J. Ik wacht op mijn plek tot de bel gaat.
Het schoolgebouw
K. Ik hou de school netjes en ruim mijn eigen rommel op.
L. Ik zit niet aan andermans spullen.
M. Ik heb mijn mobiele telefoon in de lokalen uit en in mijn boekentas.
Thuis
N. Ik maak mijn huiswerk en leer mijn toetsen.
O. Ik heb mijn werkstukken of andere opdrachten op de afgesproken datum af en lever het bij de docent in.